125 jaar Koninklijke Lucasgilde

Willem Geets en de tijdsgeest

In de tweede helft van de 19de eeuw speelde het kunstleven in België zich af rond de salons: evenementen die, in navolging van het grote Parijse voorbeeld, werden georganiseerd door de Société Royale de l’Encouragement des Beaux-Arts. Het eerste salon vond plaats in augustus 1851 te Brussel. Daarna werden dergelijke nationale kunsttentoonstellingen afwisselend in Antwerpen, Gent en Brussel gehouden.

De salons hadden een internationale allure. Buitenlandse kunstenaars werden uitgenodigd of konden zich inschrijven voor de selectie. Dit systeem werd ook toegepast in andere Europese landen buiten Frankrijk en België. Selectiecommissies zagen toe op de instroom. Zij selecteerden de deelnemers en konden hen honoreren met medailles of eervolle vermeldingen. Dit bleek niet onbelangrijk voor het commerciële aspect van het kunstenaarsvak. Aankopen door de staat, de stad of de kerk, opdrachten van vermogende burgers of publieke erkenning stonden in direct verband met de gewonnen prijzen. De pers speelde een belangrijke rol en becommentarieerde uitgebreid deze evenementen.

Daarnaast verenigden kunstenaars zich in sociëteiten, teneinde hun belangen te verdedigen en tentoonstellingsmogelijkheden te creëren. De Société des Artistes Belges en de Société national des Beaux-Arts (1861) zijn daar voorbeelden van. In 1856 bestond er al een Société belge des Aquarellistes.

De Stad Mechelen bleef in dit ganse gebeuren niet achter. Reeds in 1812 nam de toenmalige burgemeester Pierets een initiatief om de plaatselijke kunstenaars ter wille te zijn. Een zaal in het Oud Paleis mocht door de Mechelse Maatschappij ter bevordering van de Schone Kunsten (Société pour l’encouragement des Beaux-Arts) gebruikt worden.1

Het was in die atmosfeer dat Willem Geets in 1886 de Lucasgilde oprichtte. Geets was directeur geworden van de Mechelse Academie in 1869, op eenendertigjarige leeftijd. Waarschijnlijk voelde hij de noodzaak aan om een aantal faciliteiten aan te bieden aan de afgestudeerden van zijn academie. Het voornaamste doel van de nieuwe vereniging was het houden van tentoonstellingen. Willem Geets beschikte over een uitgebreid netwerk, wat hem in staat stelde belangrijke kunstbroeders, als aantrekkingspolen, uit te nodigen op de jaarlijkse “salons”.

In het reglement van de gilde – toen nog netjes tweetalig opgesteld – lezen we de doelstelling van de vereniging:

«Doel der maatschappij: Art. 1 - Op 1 juli 1886, is te Mechelen, onder den naam: “Lucasgilde”, eene maatschappij gesticht, die tot doel zal hebben de aanmoediging en den vooruitgang der beeldende kunsten. Om dit doel te bereiken zal de maatschappij vooral tentoonstellingen inrichten, die den leden de gelegenheid zullen verschaffen hunnen werken aan het kunstminnende publiek kenbaar te maken.»

Om lid te kunnen worden moest men voorgesteld worden door twee leden van de vereniging, lezen we verder; dit gold natuurlijk niet voor de stichtende leden. Artikel 11§2 zegt:

«Eene proef van kunst of kunst aan de nijverheid toegepast uitvoeren, die zal goedgekeurd worden door ten minste twee derden der leden van het komiteit. […]»

Dat ook de toegepaste kunsten aan bod konden komen lag helemaal in de lijn van het nieuwe programma dat Geets in de academie had geïntroduceerd. Dit had de bedoeling om ook ambachts- en nijverheidsgerichte decoratieve disciplines op te nemen. Zo zal, bijvoorbeeld, de vraag vanuit de meubelindustrie te Mechelen naar kundige houtsnijders niet vreemd zijn geweest aan deze maatregel. In 1898 en 1899 schrijft de gilde zelfs een wedstrijd uit voor meubelmakers, beeldhouwers, smeden en schilders.

Ernest Wijnants zal bij zijn eerste deelname aan de Lucastentoonstelling, in december 1900, enkel decoratieve interieurstukken tonen: een schouw in Louis XV- en twee spiegellijsten in Louis XVI-stijl.

Buiten het bestuur, ‘het komiteit’, bestond de gilde uit werkende en steunende leden. Werkende leden hadden de volgende verplichting, volgens het reglement:

«Art. 19 – Elk werkend lid is verplicht ten minst één gewrocht ’s jaars ten toon te stellen, en dit in eene der tentoonstellingen der Lucasgilde.»

Het komiteit kon ook buitenlandse kunstenaars uitnodigen, wat bij de eerste tentoonstellingen gebeurde.

Het lidmaatschap voor werkende leden bedroeg ‘zes franken’ per jaar. Deze bijdrage is lang zo gebleven want op een originele kwitantie, uitgeschreven aan Rik Verheyden in juli 1896 zien we nog steeds hetzelfde bedrag staan, idem dito in 1897. Ondersteunende leden konden zes, negen of twaalf frank betalen. Sommige bronnen vermelden dat de leden jaarlijks een premieplaat kregen en dat er een tombola werd ingericht.2

In 1886 werden er, buiten de Lucasgilde, nog vijf andere verenigingen gesticht, waaronder ook de ‘Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen’. Enkel deze laatste en de Lucasgilde zouden tot vandaag actief blijven.3 Er bestond al wel een oudere kunstvereniging in Mechelen, de reeds vernoemde ‘Mechelse Maatschappij ter bevordering van de Schone Kunsten’, mede opgericht door Jean Vervloet in 1812.4 Willem Geets werd secretaris van deze sociëteit.5 Ze zou na WOII ophouden te bestaan. In sommige van de catalogi van de tentoonstellingen werd een aparte rubriek voorzien voor de ‘Groupe de la société artistique de la Lucasgilde’ (1886, 1889, 1891, 1894, 1903). Sommige namen van Mechelse kunstenaars vinden we trouwens terug bij de diverse verenigingen! Er bleek dus niet altijd een exclusiviteit te bestaan van één vereniging.


De bibliotheek

Buiten het organiseren van tentoonstellingen had Willem Geets nog andere ideeën voor de gilde, namelijk de leden op de hoogte houden van het nationale en internationale kunstleven. Hij was daarin niet alleen. Bij de kunstkring ‘De Eikel’ lezen we in hun doelstellingen de oprichting van ‘een boekerij en een leeskabinet’. Zo werd er vanaf 1897 door de Lucasgilde een abonnement genomen op het Engelse kunsttijdschrift The Studio.6 Dit tijdschrift kwam maandelijks uit en bracht artikels, niet alleen van het toenmalige Engelse kunstgebeuren, maar ook over Franse, Duitse, Spaanse en Belgische kunstenaars of evenementen.

Voor de bibliotheek van de Lucasgilde werden de exemplaren, per drie maanden, netjes ingebonden en gecatalogeerd. Dit gebeurde eveneens met een aantal andere tijdschriften zoals, Art et Décoration / revue mensuelle d’art moderne, (vanaf 1905), en L’Art et les Artistes, (vanaf 1906) beiden uit Frankrijk, en de Nederlandstalige tijdschriften Onze Kunst (vanaf 1905) en Maandblad voor oude en jonge Kunst (vanaf 1930).

Maar men ging verder: er werd een lexicon opgesteld met daarin een opsomming van kunstenaarsnamen en onderwerpen, met een beknopte beschrijving van ieder boek. De leden van de vereniging konden deze boeken ontlenen of raadplegen, mits ze zich lieten inschrijven in het daartoe bestemde register, het zogenaamde ‘Ontlastingsboek voor ontleening van werken der Bibliotheek’. Het was dus duidelijk de bedoeling om ook een pedagogische functie te vervullen. De onderwijservaring van Willem Geets zal daaraan niet vreemd geweest zijn. Die bibliothecaire impuls van de Lucasgilde hoeft ons niet te verwonderen wanneer we weten dat de Stad Mechelen pas in 1865 een openbare bibliotheek inrichtte. De kroniekschrijvers duiden op het late tijdstip van dit gebeuren, alle andere grote Vlaamse steden waren rond de jaren zestig van de negentiende eeuw reeds met dergelijke projecten bezig. We kunnen dan ook veronderstellen dat de Mechelse openbare bibliotheek nog niet echt goed gedocumenteerd was over het kunstlandschap. Dit is gelukkig fel verbeterd.

De Lucasgildebibliotheek bestaat nog steeds, als een reliek uit het verleden. Deze getuige van het pre-Googletijdperk leert ons iets over de informatievergaring en verspreiding op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.


De voorzitters

Willem Geets bleef voorzitter van de Lucasgilde tot 1919, het jaar van zijn dood. Hij werd opgevolgd door Alexander Aerts die ‘tijdelijk voorzitter’ werd tot 1926 toen Jean Baptist Coene de leiding overnam. Coene bleef twintig jaar de Lucasgilde besturen, tot 1946, als Theo Blickx de fakkel overnam. Van zijn hand is het borstbeeld van Willem Geets, waarvan de originele plaaster zich nog steeds in de gildelokalen bevindt en een bronzen exemplaar aan de Schuttersvest staat opgesteld.7

Na Blickx komt Julien Aerts aan de beurt, van 1963 tot 1977, gevolgd door John Williams. Oudere leden herinneren zich Williams nog als een vaardige schilder die soms grappig uit de hoek kon komen. Zijn ingelijste pannenkoek in het clublokaal is daar een voorbeeld van. Onder zijn voorzitterschap wordt, in 1986, het 100-jarige jubileum van de Lucasgilde gevierd met een ontvangst op het stadhuis. Toenmalige schepen Renard overhandigde bij die gelegenheid een bronzen klok aan de bestuursleden met de Mechelse leuze: ‘In Fide Constans’ (In Trouwe Vast), voorwaar een passende spreuk voor een eeuwoude gilde! Op haar beurt schonk de Lucasgilde een ets van Willem Geets aan de Stad Mechelen.

Williams wordt in 1997 opgevolgd door Hugo Beullens, de meester van de aquarel. Onder zijn bewind worden er een aantal prettige projecten uitgewerkt op de jaarlijkse tentoonstellingen. Zo bracht het ‘Project 50/70’ (2003) een mozaïek tot stand van alle door de leden ingezonden werken op dit formaat. Het jaar daarop trok het ‘Project Stoel’ (2004) alle aandacht naar zich toe: echte zitexemplaren waren eerder zeldzaam, maar creatieve bedenksels des te meer.

In 2009 stopt Beullens als voorzitter en valt de eer te beurt aan een van de ouderdomsdekens, Omer Van Damme. Aan hem de prettige taak om de feestelijkheden rond de 125ste verjaardag tot een goed einde te brengen.


Tentoonstellingen

De eerste autonome tentoonstelling van de Lucasgilde vond plaats in de stadshalle, op de Grote Markt te Mechelen, de zogenaamde ‘Chrismas Exhibition’ van 1886.8 Op een foto, in het bezit van het archief van de Lucasgilde, zien we een goed gevulde zaal waar de schilderijen in hun brede vergulde of zwarte lijsten dicht op elkaar hangen en de middenruimte gevuld wordt met sculpturen. Witte marmeren of plaasteren portretbustes en figuren wisselen af met stemmige meubels, kortom, typisch de sfeer van een negentiende-eeuws salon.

De daaropvolgende negenentwintig tentoonstellingen van de gilde zouden in dezelfde zaal plaatsvinden. Willem Geets moet hier zijn relaties goed aangewend hebben, want niet alleen steeg het aantal leden gestaag, hij slaagde er ook in om een aantal grote namen uit de toenmalige kunstscène naar Mechelen te lokken. Uiteraard de bekende Mechelaars zoals Theo Blickx, Ernest Wynants of Rik Wouters, maar ook Emiel Claus, Theodoor Verstraete, August Musin, Victor Gilsoul, Eugeen Yoors, Romain Steppe, tot en met James Ensor. De lijst is te lang om op te noemen, maar we kunnen hier wel uit besluiten dat de toenmalige Vlaamse kunstgemeenschap graag naar Geets’ salon kwam en dat deze manifestatie hierdoor een grote uitstraling kreeg.

Later zouden de tentoonstellingen verhuizen naar de stadsfeestzaal aan de Frederik de Merodestraat. We zien het interieur van deze zaal in 1937, naar aanleiding van een retrospectieve van het werk van Vikke Van den Bergh. Ook hier is de ophangwijze zeer tijdsgebonden: de werken dicht op elkaar en bevestigd aan zeer opvallende ophangkoorden. Intussen lijken de toegepaste kunsten op de achtergrond te zijn geraakt en wordt er enkel gefocust op schilderijen en beelden. En zoals de evolutie zich ook later zal voltrekken, de beeldhouwers zijn sterk in de minderheid. Rond de jaren 1960 zullen de tentoonstellingen opgesteld worden in het Cultureel Centrum, waar ze nu nog steeds doorgaan.


Herdenkingen

Ten gepaste tijde vierde de Lucasgilde feest. Op de vijfentwintigste verjaardag van de oprichting (1911) werd er een banket ingericht. De menukaart liegt er niet om, er werd toen lekker en vooral uitgebreid gegeten. In 1923 werd er een retrospectieve tentoonstelling gehouden met de werken van Willem Geets en Josef Willems. Na WOII, in 1951, werd er een speciale tentoonstelling gehouden met de werken van overleden leden.

In een bepaalde periode hield de Lucasgilde er ook aan om bij elke jaarlijkse tentoonstelling een oud-lid in de belangstelling te plaatsen, meestal ter gelegenheid van de verjaardag van geboorte of afsterven. Hieruit sprak enerzijds een zeker nostalgisch gevoel, maar anderzijds ook respect voor mensen die in het verleden hun steentje hebben bijgedragen aan de uitstraling van de gilde en het Mechelse kunstleven.

Honderd jaar Lucasgilde (1986) werd gevierd met een dubbele tentoonstelling. Een retrospectief gedeelte toonde werken van de stichters en vroegere leden van de gilde, uit bruiklenen van nabestaanden of uit het bezit van de Stad Mechelen. De familie Geets was hierbij ruim vertegenwoordigd: Willem Geets, met het portret van Juffrouw Steinmetz en een zelfportret, zijn echtgenote Emilie, met het doek ‘Balrozen’; verder hun zoon Willy Geets met een stilleven en van Lode Geets werden er twee landschappen getoond.

Naast deze ‘historische werken’ werden dan de creaties van de toenmalige actieve leden aan het publiek voorgesteld.

In 1988 werd Barth Verschaeren (1888 – 1946) in de schijnwerper geplaatst, omwille van de honderdste verjaardag van zijn geboorte. Hij werd geroemd voor zijn evocatie van het landelijke leven dat hij synthetiseerde in talrijke monumentale werken.

Het jaar daarop, in 1989, was het de beurt aan Jan de Smedt (1905 – 1954). Zijn specialiteit was het portret. Van hem werd het schilderij ‘Moeder en kind’ uit de Stedelijke Musea Mechelen tentoongesteld, naast enkele andere doeken en een beeldhouwwerk ‘Overpeinzing’. Constant Pellegrin (1893 – 1983) werd gehuldigd in 1990 en in 1991 werd de in 1989 gestorven August Gillé herdacht. Hij heeft de kaap van de 100 jaar niet mogen bereiken, lezen we in de catalogus. Deze oud-strijder uit de ‘Grote Oorlog’ kwam tot de kunst nadat hij als oorlogsinvalide naar Frankrijk was overgebracht. Later zal hij een opleiding volgen aan de academies van Mechelen en Brussel. De stijl van zijn beelden en schilderijen kunnen we als postexpressionistisch omschrijven, dikwijls met een religieus thema.

In 1992 schrijft Vic Geets een hulde aan zijn vader Willy Geets, de jongste zoon van Willem Geets. Hoewel zijn ouders aanvankelijk een artistieke carrière voor hun zoon niet aanmoedigden gaat hij vanaf 1908 toch naar de academie van Brussel waar hij de cursussen beeldhouwen, boetseren en anatomie volgt. We kennen hem van het beeld ‘Redder met drenkeling’ in het zwembad aan het Rode Kruisplein. Maar hij schildert ook. De Lucasgilde bezit een stilleven met zeevruchten van zijn hand.

1993 is het jaar dat Philippe Victor ‘Vikke’ Van den Bergh aan de beurt is, veertig jaar na zijn dood (1953). Zoals veel jonge kunstenaars wordt hij, na zijn studies, aangetrokken door Parijs. Naast zijn artistieke carrière maakt hij er zich waar als restaurator van schilderijen. Bij de Duitse inval in 1940 ruilt hij Parijs voor Limoges, waar hij zijn verdere leven zal blijven werken.

In 1995 worden Modest T’Sjoen en Charles Van Vlasselaer gehuldigd; de eerste, een vaardige beeldensnijder in hout en schilder, de tweede schilder en tapijtontwerper. John Williams, bij leven voorzitter van de Koninklijke Lucasgilde, sterft in maart 1997. In september van datzelfde jaar wordt hij herdacht op de jaarlijkse tentoonstelling in het Cultureel Centrum en worden een aantal van zijn werken uit familiebezit tentoongesteld. Jef Leemans is de laatste oude gildebroeder die bedacht wordt met een kleine retrospectieve in 2002. Leemans was landschapsschilder met het industriële landschap rond Vilvoorde als voornaamste inspiratiebron. Hij was ook directeur van de Portaelsschool daar en voorzitter van de Koninklijke Portaelskring.


Terugblik

Terugkijkend op 125 jaar Lucasactiviteiten kunnen we stellen dat de gilde haar aanvankelijk uitgangspunt is nagekomen: «de aanmoediging en vooruitgang der beeldende kunsten». Ze heeft tentoonstellingen ingericht «die den leden de gelegenheid zullen verschaffen hunne werken aan het kunstminnend publiek kenbaar te maken».

De tendens om de kunstambachten en architecturale projecten te promoten is wat op de achtergrond geraakt, maar de Mechelse klok der standvastigheid is blijven luiden. Op enkele jaren na, tijdens de wereldbranden, werd er jaarlijks een tentoonstelling gehouden. Ook de schetsclub is blijven doorwerken. Deze onderafdeling van de gilde, bestaande uit een groep ‘die hards’ die het portret- en modelschilderen blijven beoefenen, is nog steeds actief. In het verleden hebben ook zij het publiek vergast op hun exposities.

De tentoonstellingen van de Koninklijke Mechelse Lucasgilde trekken niet meer de grote tenoren aan van de Vlaamse kunstwereld. Want dit moeten we Willem Geets toch nagegeven, zijn aura en aantrekkingskracht op dit gebied was onovertroffen. We kunnen ook stellen dat de avant-garde aan de Lucasgilde is voorbijgegaan. Die heeft haar eigen verenigingen opgericht, die intussen weer verdwenen.

Maar al die jaren heeft ze, in fide constans, tientallen kunstenaars uit het Mechelse en omstreken de mogelijkheid gegeven om op democratische wijze hun oeuvre publiek te maken. Hoewel deze sociale functie door de stichters niet als dusdanig werd genoteerd in het reglement blijkt dit toch een van de mooiste verworvenheden van de vereniging.


Geschreven door Peter Eyskens, Onder-voorzitter en voorgedragen op 13.4.2011



Bibliografie

Anne Pingeot, Robert Hoozee. Parijs – Brussel Brussel – Parijs, realisme, impressionisme, symbolisme en art-nouveau, Antwerpen: Mercatorfonds, Paribas, 1997.

Léopold Godenne. Malines jadis & aujourd’hui. Antwerpen: De Vries – Brouwers, 1973.

Frank Huygens, Anne Van de Voorde. Niet van gisteren. Een generatie kunstenaars in Mechelen 1945 – 1975, Mechelen: Cultuurcentrum Mechelen, 2010.

Patrick De Greef, red., e.a., 1000 jaar Mechelen, de Mechelaars en hun kunstenaars. Mechelen: Waanders / Diogenes, 2002.

Bart Stroobants e.a. De kers op de taart. Bijzondere stukken uit de stedelijke collectie. Mechelen: Stedelijke Musea, 2003.

Raymond van Uytven, red. De geschiedenis van Mechelen. Van Heerlijkheid tot Stadsgewest. S.l.: Lannoo, 1991.


Voetnoten

1Geschiedenis van de Lucasgilde. Anonieme tekst op de voormalige site van de Lucasgilde.

2In 1926 kregen de leden, die toen 9 frank lidgeld betaalden een ‘sterkwaterplaat’ van Louis Clesse, in 1931 een van K. Bonaugure.

3In 1892 werd de Kunst en Letterenlievende Kring De Eikel opgericht en in 1904 de kunstkring De Distel.

4Léopold Godenne. Malines jadis & aujourd’hui. Antwerpen: De Vries – Brouwers, 1973. p. 611.

5Het laatste gedateerde document van de vereniging in het Mechelse stadsarchief vermeldt: 1953.

6Het vroegste nog aanwezige exemplaar in de bibliotheek van de gilde dateert van 1898 (april/mei/juni).

7Frank Huyens, Anne Van de Voorde. Niet van gisteren. Een generatie kunstenaars in Mechelen 1945 – 1975. Cultureel Centrum Mechelen, 2010.

8In juli van dat jaar hadden de stichtende leden van de Lucasgilde reeds deelgenomen aan de tentoonstelling van de Société pour l’encouragement des Beaux-Arts, weliswaar met een aparte vermelding in de catalogus.